Breuken berekenen

Breuk 1
Breuk 2

Vul gehele getallen in voor teller en noemer. Een negatieve teller geef je aan met een minteken (bijv. −3).

Breuken berekenen met uitwerking

Met deze breukencalculator reken je twee breuken bij elkaar op, trek je ze van elkaar af, vermenigvuldig je ze of deel je ze. Na elke berekening zie je een stap-voor-stap uitwerking: welke gemeenschappelijke noemer gebruikt wordt, hoe de breuken gelijknamig worden gemaakt en hoe het resultaat wordt vereenvoudigd. Zo leer je de methode, niet alleen het antwoord.

Breuken optellen en aftrekken

Om breuken op te tellen of af te trekken, moeten de noemers gelijk zijn. Dit heet gelijknamig maken. Je berekent het kleinste gemene veelvoud (kgv) van de twee noemers en schrijft beide breuken om zodat ze dezelfde noemer hebben. Daarna tel je de tellers op (of trek je ze af) en vereenvoudig je het resultaat.

Voorbeeld: ½ + ⅓ → kgv(2,3) = 6 → 3/6 + 2/6 = 5/6

Breuken vermenigvuldigen

Breuken vermenigvuldigen is eenvoudiger dan optellen: je vermenigvuldigt de tellers met elkaar en de noemers met elkaar. Daarna vereenvoudig je het resultaat door te delen door de grootste gemene deler (ggd).

Voorbeeld: ⅔ × ¾ = (2×3)/(3×4) = 6/12 = ½

Breuken delen

Delen door een breuk doe je door de tweede breuk om te keren (het omgekeerde of reciproque te nemen) en vervolgens te vermenigvuldigen. De methode heet ook wel keer het omgekeerde.

Voorbeeld: ½ ÷ ¼ = ½ × 4/1 = 4/2 = 2

Breuken vereenvoudigen (herleiden)

Een breuk is volledig vereenvoudigd als de teller en noemer geen gemeenschappelijke delers meer hebben. Je deelt teller en noemer beiden door hun grootste gemene deler (ggd). Zo wordt 6/8 → ggd(6,8)=2 → 3/4. De calculator doet dit automatisch.

Gemengde getallen

Als het resultaat groter dan 1 is, toont de calculator ook de notatie als gemengd getal (bijv. 7/4 = 1¾). Wil je een gemengd getal invoeren? Zet het om naar een oneigenlijke breuk: 2½ = (2×2+1)/2 = 5/2. Voer dan teller 5 en noemer 2 in.

Meer rekentools

Bekijk alle rekentools →